
In januari worden de goede voornemens van de eerste dagen getest op de realiteit. Vaak overleven ze deze maand niet. Helemaal niet meer doen dan? Er is ook een andere manier
Broodjesbar in Wageningen. Het ruikt naar warm brood en koffie. Twee mannen zitten schuin tegenover me, half uitgezakt op een bank.
“Ik maak nooit goede voornemens,” zegt de een met luide stem. “Waarom zou ik? Ik houd me er toch nooit aan. Ik ga dan gewoon uitstellen.”
De ander lacht kort en knikt.
Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Die eerlijkheid. Alsof ze een statement willen maken voor de hele zaak.
Voor me zit een vrouw in een scootmobiel een croissant te eten. Ja, denk ik, wat hebben mensen aan voornemens over de toekomst.
Maar het woord “nooit” blijft toch bij mij hangen. Helemaal geen intentie stellen? Dan geef je het op. En dat geloof ik ook weer niet. Maar wat dan?
Ik kijk naar buiten. Januari. Grijs. Nat. Alles staat stil.
Mijn gedachten schuiven naar een ander moment.
—
Een zaal in het European Institute for Applied Buddhism, waar wij elk jaar nieuwjaar vieren. Het is 31 december. Zuster Song Nhiem staat op het podium. Klein, vriendelijk, haar stem licht en bijna speels.
Ze stelt een eenvoudige vraag: sluit 2025 af en laat van daaruit een aspiratie ontstaan. Vijftien minuten.
Mijn schouders trekken omhoog. Vijftien minuten? Ik denk aan alles wat er dit jaar gebeurd is. Moet ik niet eerst het complete overzicht hebben? Ik begin te schrijven. Lijstjes. Gebeurtenissen. Alles wat er gebeurd is. Hoe meer ik schrijf, hoe minder ik zie.
De tijd verstrijkt. Stoelen schuiven. Anderen zijn al klaar en lopen de zaal uit.
Ik kijk naar mijn papier. Niets.
En dan een inzicht: het gaat er niet om wat er allemaal gebeurd is. Het gaat om wat mij werkelijk geraakt heeft. En dat zijn maar een paar dingen.
Ik leg mijn pen neer. Laat mijn aandacht zakken. Het beeld van mijn pink komt op. De operatie. Het verlies van een functie van mijn hand. Het besef dat het niet meer “goedkomt.” Mijn borst wordt zwaar.
Dan Berlijn. Een conferentie. Het moment waarop ik naar voren stapte als facilitator, terwijl iets in mij zei: iemand anders doet dit wel. En toch deed ik het. En er kwam energie vrij.
De twee beelden vallen over elkaar heen. Beperking. Leiderschap. Pijn. Vreugde. Niet als tegenstelling, maar als één beweging. Ik schrijf: my joy and pain are one
Mijn hand pakt de pen weer op. When called, I step forward. En daar heb ik het, mijn aspiratie.
—
Terug in de broodjesbar. De mannen zijn weg. Hun broodjes half opgegeten, servetten gefrommeld op tafel.
Ik denk aan die man, half uitgezakt op zijn bank. Die eerlijkheid. Ik houd me er toch niet aan.
Hij heeft gelijk. Maar niet om de reden die hij denkt.
Het probleem is niet dat hij te weinig discipline heeft. Het probleem is dat een voornemen in het moment heel moeilijk te doen is. Het confronteert je voortdurend met je eigen zwakheid. Een aspiratie geeft een kompas, maar zegt niet precies hoe of wat.
Ik kijk naar mijn eigen hand. Mijn pink die niet meer helemaal meewerkt. De hand die in Berlijn toch omhoog ging.
When called, I step forward.
Knowing that joy and pain are one.
